Er zal altijd een haas of rups hier en daar een blaadje mee-eten, maar te veel vraat willen we voorkomen en bestrijden. Hieronder lees je per diersoort hoe we dat doen.
Coloradokevers herkennen
De Coloradokever, ook wel aardappelkever genoemd, wordt ongeveer 1 cm lang. Ze hebben zwarte strepen op het dekschild en het lijf is geel tot lichtbruin, met een oranje-gele kop. De kevers eten niets liever dan aardappelplanten.
Coloradokevers bestrijden
Zie je een volwassen kever, haal die dan meteen weg. Volwassen kevers eten niet veel maar gaan vooral paren. Als je de kevers snel wegvangt, wordt de ei-afleg beperkt. Controleer de onderkant van de bladeren op feloranje eitjes en knip bladeren met eitjes erop weg. Verbrandt de kevers en de eitjes.
Laatste redmiddel
Zitten er al (heel) veel meer kevers? Gebruik dan onze Colorado Beetle Collector als laatste redmiddel. De planten worden er namelijk door beschadigd.
De flappen van deze machine roteren langs de aardappelplanten omhoog waardoor de kevers eraf vallen. De machine verzamelt de kevers al rijdend in bakken.
Bekijk de video voor het herkennen en afvoeren van de kevers en hun eitjes.
Ritnaalden herkennen
Ritnaalden zijn de larven van kniptorren. Ze worden 2 tot 2.5 cm groot, zijn dun en hard van structuur, met een bruine kop en vooraan pootjes. De kleur varieert van geel tot koper (ze heten ook wel koperwormen). Als ze net uit de eitjes komen, zijn ze maar een paar millimeter groot en wit-gelig van kleur. Ritnaalden lijken op meelwormen.
Ritnaalden bestrijden
We bestrijden ritnaalden alleen in de kas, niet op het land. Het meest effectief is de ritnaalden handmatig verwijderen. Eenmaal gevangen, mogen ze in de blauwe ton op het achtererf.
Naast handmatig, kunnen we ze ook 'verzamelen' op rauwe aardappels. Snijd de aardappels doormidden en plaats twee aardappels per strekkende meter, net onder het aardoppervlak. Steek een stokje op de plek van elke aardappel. Controleer de vangst na een dag of tien en herhaal zo nodig.
Het is erg lastig om te voorkomen dat zaad wordt opgegeten door vogels. Een vogelverschrikker of glinsterend object (cd'tjes, strook zilverpapier) werkt tijdelijk, maar de vogels hebben al gauw door dat ze daar niks van te vrezen hebben. Doeken leggen werkt wel goed en dat doen we dan ook. Enige vraat door vogels nemen we verder voor lief.
Rupsen herkennen
Op onze Es komen we de rupsen van het groot en het klein koolwitje tegen. Zoals de naam al aangeeft, houden ze érg van kool. De rups van het klein koolwitje is felgroen (foto linksboven naast vlinder) en de rups van het groot koolwitje is meerkleurig (foto rechtsonder naast vlinder).
Rupsen bestrijden
Het enige effectieve middel tegen rupsen is: doeken leggen. Dan kan de vlinder haar eitjes niet op de kolen leggen. Als je rupsen of vraat bij gewassen constateert, informeer Robert er dan over.
We proberen hazen en andere lekkerbekken buiten te houden, met de hekken rondom de tuinbouw en de deuren in de kassen. Let er dus goed op dat het toegangshek naar de tuinbouw en de kasdeuren altijd goed dicht zijn.
Kaswanden open
Als de wanden van de kas open staan, dan is dat met opzet. Twijfel je hieraan vanwege het weer of iets anders? Check het dan eerst bij Robert, voordat je iets aan de stand van de wanden verandert.
Vooropgesteld: beregenen gebeurt op de Es voorlopig alleen door de boer(en) of een lid dat hier instructie over heeft gekregen. Onderstaande is dus ter info. De spraytube is op termijn wel door (meerdere) leden te bedienen. Zodra dat zo is, passen we deze tekst aan.
In Nederland valt jaarlijks ongeveer 1,2 meter regen, maar niet altijd op de momenten dat onze gewassen het nodig hebben. Daarom vangen we in het bassin zoveel mogelijk regenwater op, via de daken van de tunnelkassen.
We hebben ook een bron op de Es, maar in dit water zit veel ijzer. Dat zorgt voor bruine vlekken op onze gewassen en een metalige bijsmaak. Daarom gebruiken we de bron (liever) niet.
Alleen in het uiterste geval gebruiken we bronwater en gebruiken we de ontijzeringsinstallatie om het ijzer eruit filteren.
De beste momenten om te beregenen zijn aan het begin en einde van de dag, als de zonkracht laag is.
We kunnen beregenen met:
1. Druppelleiding in de kas en boomgaard
2. Sproei-installatie op het land
3. Spray tube op het land
1. De druppelleidingen zijn te bedienen via computers, die in de zouthuisjes nabij kas en boomgaard staan. Hiermee kun je instellen welk plantbed je wilt bedruppelen en hoe lang.
2. Op de interactieve kaart zie je waar de thyleenleidingen langs de hele tuinbouw en akkerbouw liggen. Hierop kunnen we de haspel en pomp aansluiten voor beregening op het land. Het bereik van deze installatie is 12 meter naar beide kanten.
3. De spray tube is een buis met gaatjes. Als je hier druk op zet dan wordt het een sproeier. De spray tube is vooral geschikt voor de tuinbouw en ingezaaide stukken land.
Met een mulchlaag kunnen we voorkomen dat de bodem te warm wordt. Mulch is een plantaardig materiaal dat we op de bodem aanbrengen als isolatielaag. Het zorgt voor een temperatuurverschil van ongeveer 6 graden, waardoor de grond een stuk minder hard uitdroogt.
Mulch kan ook onkruid onderdrukken en het bodemleven bevorderen. Robert is aan het experimenteren om te ontdekken bij welke gewassen dit goed werkt.
De doeken voor op het land zijn 55 meter lang, en twee of drie bedden breed. Elk doek heeft vanaf eind 2025 een label waar de maat op staat.
De plantbedden van de tuinbouw (RT en LT 1 t/m 4) zijn 50 meter lang. Hier heb je dus genoeg aan één doek. De bedden van de akkerbouw (A1 t/m 6) zijn langer, dus hier gebruik je twee doeken.
Gebruik nooit een doek van drie bedden breed op twee bedden, want dan steek je de pinnen door het midden van het doek. Die gaten zijn niet te repareren.
Rol of vouw het doek uit op wat lege plantbedden, dicht bij de gewassen die je wilt bedekken.
Trek het doek dan voorzichtig stukje voor stukje over de gewassen.
Werk vanuit één kant, dus niet met twee mensen naar elkaar toe. Dan wordt het midden van een doek te zwaar en trek je al snel gewassen uit de grond.
Laat één meter zwarte aarde vrij aan beide (kopse) kanten van het bed. Deze meter grond houden we onkruidvrij, als duidelijke scheiding tussen maaigebied en schoffelgebied. Hier mag dus géén doek op liggen.
Pak de zijkant van het doek en vouw de rand drie keer dubbel. Steek de pin door de dubbelgevouwen stof met de vouw naar boven; zo scheurt het doek minder snel uit.
Zet de pinnen midden op het tractorpad naast het plantbed.
Laat de helft van de pin boven de grond uit steken. Dan krijgen we ze weer makkelijk uit de grond.
Trek de doeken in de lengte strak en zet elke 8 meter (10 stappen) een pin. Werk aan beide zijden vanuit dezelfde kopse kant.
Trek het doek in de breedte niet te strak, zodat het gewas ruimte heeft om te groeien.
Overlappen twee doeken elkaar in de lengte? Vouw de zijkanten van de doeken dan op elkaar en zet ze met één pin vast. Dat scheelt pinnen weghalen als het doek eraf moet (om te schoffelen bijvoorbeeld).
Heb je twee doeken nodig voor de lengte van één bed? Werk dan eerst vanuit de ene kopse kant naar het midden en dan vanuit de andere. Zo overlappen de doeken mooi in het midden.
Als een doek in de lengte niet strak genoeg zit, kan het deels van de gewassen af waaien. Dat is op zich niet erg, want zo schrikt het vogels nog steeds af.
Maar: wil je gewassen beschermen tegen bijvoorbeeld het koolwitje? Trek het doek dan weer over de gewassen en zet het beter vast.
De doekenkar is drie meter breed. Gebruik de kar als volgt:
- leg het doek klaar, zodanig dat het op krap twee bedden past (vouw de zijkanten zonodig om).
- pak een uiteinde van het doek bij elkaar en doe de lus erom. Trek aan.
- steek de pin in de stang van de kar.
- draai aan de lier zodat het doek op de stang rolt.
- trek tijdens het oprollen het doek over de hele breedte van de stang, zodat het geen dikke prop wordt.
Bij het doeken leggen gebruik je gereedschap, zoals pinnen en een hamer met hameroog, om ze in de grond te slaan of eruit te trekken.
Leg deze gereedschappen nooit in het gras. Daar zie je ze niet goed liggen en als ze achterblijven kunnen ze onze machines beschadigen!
Leg gereedschap op een witte doek, waar je alles goed ziet liggen.
Onkruid effectief bestrijden is de grootste klus op onze Es. Er staan natuurlijk allerlei soorten, tussen de gewassen (die we allemaal weghalen), maar de volgende vier soorten hebben onze bijzondere aandacht. Deze moeten we elk jaar ook uit de koeienweides weghalen vóórdat ze in zaad komen. Dan blijven ze uiteindelijk weg:
- Distels
- Jacobskruiskruid
- Ridderzuring
- Kweekgras (halen we alleen tussen de gewassen weg, niet uit de weides)
Deze soorten verspreiden zich sterk (dragen veel zaad) en hebben een penwortel; die moet je heel diep uit de grond halen anders groeit ie zo verder.
Als we dit onkruid laten gaan, dan waait het over de hele akker. Dit moet onze prioriteit zijn.
Hiernaast afbeeldingen van de vier soorten.
- Distels zijn eenvoudig te verwijderen met stevige handschoenen aan. Pak de distel onderaan de stengel vast en trek rustig omhoog.
- Jacobskruiskruid is giftig voor mens en dier (bij consumptie). Trek de plant met wortel en al uit de grond. Zit de wortel zo vast dat de plant afbreekt? Maak de omringende grond dan los met een schop.
- Ridderzuring trek je ook met wortel en al uit de grond. Zit de wortel zo vast dat de plant afbreekt? Maak de omringende grond dan los met een schop.
- Kweekgras verwijderen we niet uit de koeienweides, maar wel uit de tuinbouw, akkerbouw en fruitgaarden. Kweekgras is makkelijk uit de grond te trekken.
Tussen gewassen
Onkruid dat we tussen gewassen weghalen kan ter plekke blijven liggen en sterft vanzelf af. Leg het onkruid in de rijen tussen de planten, niet in het trekkerpad. Dan hoopt het op als we met de trekker gaan schoffelen en draait het zich vast in onze machines.
Uit de weides
Verzamel het onkruid in kruiwagens en voer het af naar de daarvoor bestemde IBC in tunnelkas 1.
Elders op de Es
Kom je distels, ridderzuring of Jacobskruiskruid tegen langs een pad? Trek het uit de grond en laat het liggen om af te sterven. Tenzij het erg veel is, dan mag het ook in de IBC in tunnelkas 1.
Het schoffelseizoen op de Es loopt in feite van het moment dat de bomen in blad komen, totdat de bladeren weer vallen. Onkruid verwijderen is de grootste klus die we samen hebben. En dankzij dat 'samen' is het ook altijd een gezellige klus.
Schoffelen is niet alleen goed om onkruid te verwijderen en te voorkomen. Het brengt ook lucht in de bodem, activeert het bodemleven (door een beetje schade te maken) en zorgt dat de bodem makkelijker water kan opnemen. We schoffelen niet te diep om de bodem zo min mogelijk te verstoren.
De sleutel tot effectief onkruidbeheer is: het schoffelen en wieden goed bijhouden. Want als het onkruid een week te lang blijft staan, hebben we er uiteindelijk veel meer werk mee. De plant is dan groter en sterker, wat zowel de groei van ons gewas belemmert, als te weghalen moeilijker maakt. Die ogenschijnlijke 'paar dagen' maken echt een groot verschil.
Drie weken voordat we een bed beplanten, bereiden we het bed voor. Dat duurt 1,5 week:
- groenbemester maaien
- bemesting erop
- bodem opschonen van graspollen etc.
De volgende 1,5 week kan de bodem op temperatuur komen en ontstaat een vals zaaibed:
- het onkruid gaat ontkiemen en dat schoffelen we weg
- het gaat nogmaals ontkiemen en we schoffelen het weer weg
Dit scheelt uiteindelijk ongeveer 50% aan onkruidgroei.
We willen alle plantbedden liefst wekelijks schoffelen. Ook als er weinig tot geen onkruid staat, want onder de grond is het aan het groeien. Door toch te schoffelen rem je de groei en hebben de gewassen meer ruimte.
Meteen na het aanplanten van een bed, moeten we om de drie tot vier dagen schoffelen. Zo kan de plant zich snel ontwikkelen en dat is de beste start.
Haal ook alle mini onkruidjes weg, met een hakje of met de trekker (voor leden die daar instructie over hebben gehad). Dat is weinig moeite, zéker in verhouding tot het werk wat we ermee besparen.
Handmatig
In de kas, in de boomgaard en in de plantrijen, schoffelen we handmatig. Dat gaat het makkelijkst met een hakje. Door het puntig gevormde uiteinde kun je onkruid tot vlak naast een gewas verwijderen, zonder het gewas te beschadigen.
Schoffelmachine
De machine schoffelt tot vlakbij de basis van de plant, ook onder het loof. Als de planten eenmaal stevig genoeg zijn, kunnen we de veertand gebruiken voor dat laatste stukje naast de plant en voor onkruid tussen de planten.
Dammen met de schoffelmachine
Dammen is het plaatsen van een hoopje zand rondom de basis van een gewas. Hiermee bedelf je het onkruid, dat er niet altijd doorheen kan groeien, maar nog belangrijker: je kunt het kapot trekken met de veertand.
Als we dat keer op keer doen, sorteert het veel effect. Het dammen gebeurt ook met de schoffelmachine. Dus de ene keer ben je aan het schoffelen en de volgende keer aan het dammen. Dit voorkomt veel handmatig schoffelen!
Wiedeg
De wiedeg trilt de grond los en springt opzij als hij een gewas tegenkomt. Deze manier van schoffelen werkt tegen wortelharen in de bovenste 5 tot 7 cm grond. De wiedeg kunnen we alleen gebruiken bij planten die al flink gegroeid zijn, anders trekt de eg het plantje los.
Aan beide zijden van een plantbed houden we 1 meter grond onkruidvrij. Hier staan dus nog geen planten en creëren we een 'buffer' van een meter. Deze onkruidvrije meter voorkomt de verspreiding van onkruid vanuit omliggende grond.
Ook met het aanbrengen van mulch (laag plantaardig materiaal rondom de planten) is een manier om onkruid te voorkomen. Robert doet hier een experiment mee om te kijken in hoeverre dat lukt.
De compostlaag in de kas is thermisch gecomposteerd; het is verwarmd tot minimaal 70 graden, zodat de meeste onkruidzaden zijn afgestorven.
Als je toch onkruid ziet: trek het dan direct, maar voorzichtig uit de compost. Onkruid dat nog niet in zaad staat kun je laten liggen en sterft wel af. Staat het al wel in zaad, neem het dan mee de kas uit (zonder zaden in de kas te verliezen).
Op de interactieve kaart staat met een uitroepteken aangegeven dat er op dat perceel een klus is. Klik op het uitroepteken om te zien wat het werk inhoudt. Als het om schoffelen gaat, dan staat erbij of het handmatig of machinaal moet gebeuren.
De plantbedden zijn genummerd. Om de tien bedden ligt een steen met een nummer. Na het schoffelen kun je op de kaart aangeven dat het klaar is.
Klein onkruid mag blijven liggen op de plek waar het uit de grond komt. Het sterft hier vanzelf af. Leg het niet in de trekkerpaden, maar tussen de gewassen op het bed zelf.
Grote onkruiden kunnen in zaad staan en moeten dus van het land af. Maar als we het schoffelschema volgen, zal dit niet voorkomen.
Op de grond van tunnelkas 2 ligt een dikke laag compost. Ga nooit op de compost staan of lopen! Dan druk je de compost namelijk kapot en moet je het harken, waardoor onkruid uit de onderliggende grondlaag in de compost komt.
In de compost zijn sleuven getrokken die vol liggen met houtsnippers. Dat zijn de looppaden.
Aan het einde van elk jaar vullen we de compost aan met een nieuwe toplaag.
In de tunnelkas planten we gewassen die in een blokje grond zijn ontkiemd. Bij het uitplanten in de kas, hoeft het grondblokje niet heel diep in de compost te staan. Zet het blokje stevig in het daarvoor bestemde plantgat en druk de compost iets aan. Dat is voldoende.
De compostlaag in de kas is thermisch gecomposteerd; het is verwarmd tot minimaal 70 graden, zodat de meeste onkruidzaden zijn afgestorven.
Als je toch onkruid ziet: trek het dan direct, maar voorzichtig uit de compost. Onkruid dat nog niet in zaad staat kun je laten liggen en sterft wel af. Staat het al wel in zaad, neem het dan mee de kas uit (zonder zaden in de kas te verliezen).
Als we hier alert op zijn, dan wordt het onkruid met de jaren steeds minder.
Op warme dagen kun je tijdens het werk de zijkanten van de kas helemaal open doen voor koelte. Laat alles wel weer achter precies zoals je het aantrof, om te voorkomen dat gewassen kapot gaan.
Zie het filmpje onderaan deze wiki voor het bedienen van de kaswanden.
Het oogsten uit de compostlaag moet voorzichtig gebeuren. Pak het gewas vlak boven de grond vast en trek eraan, terwijl je de compost tegenhoudt. En pas op dat je niet aan de druppelleidingen trekt.
In Tunnelkas 1 staat een blauwe duwmaaier. Als het gras daar te hoog voor is, kun je de ploegtrekkers appen. Zij zorgen dan dat het gemaaid wordt door WP21.
We verbouwen allerlei soorten gewassen in de kas, zoals tomaat, aubergine, paprika, slasoorten en nog veel meer. Is er toch ruimte over? Zet er dan een ander gewas in, om de bemesting in de compost aan de gang te houden.
Doen we dat niet, dan mineraliseert het, vervluchtigt het en dragen we bij aan het stikstofprobleem.
Er kunnen wat drassige plekken op de looppaden ontstaan. Dat komt door de stand van het grondwater. Je kunt hier wat extra houtsnippers of stro plaatsen om een smeerboel te voorkomen (dat staat in Tunnelkas 1).
Dit seizoen (2025) zijn we met een kleine club aan het uitproberen wat de optimale werkwijze is voor het voorzaaien. Als we de aanpak helemaal rond hebben wordt deze activiteit weer beschikbaar voor een grotere groep leden. Hieronder lees je kort wat meer over de werkwijze die we voor ogen hebben.
Het voorzaaien doen we in tunnelkas 1. Hier vind je alle benodigdheden:
- Planning voorzaaien (welk zaad is aan de beurt)
- Zadenlijst met alle info per soort (afbeelding hiernaast)
- Zaden
- Compostblokjes
- Compost
- Zeef
- Naambordjes groentes
1. Bak een bak met compostblokjes
2. Laat het aangegeven aantal zaden in het gaatje vallen (zie zadenlijst)
3. Zeef de gaatjes dicht met wat compost en/of wit zand (zie zadenlijst)
4. Schrijf op een houtje welke groente het is en plaats dat in de bak
5. Zet de bak in een van de tafels